26 mei 2017 Gert-Jan van den Bemd tijdens uitreiking ILFU-schrijfwedstrijd

Winnend verhaal ILFU-schrijfwedstrijd

De ILFU-schrijfwedstrijd had als opdracht: schrijf maximaal 1.500 woorden, geïnspireerd door de quote ‘En hoe verder hij ging, des te langer was zijn terugweg’ van de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone.

De jury bestaande uit Jasper Henderson, Vrouwkje Tuinman en Sophie Kok maakte tijdens het International Literature Festival Utrecht het winnende verhaal bekend: ‘Verder van huis’ van Gert-Jan van den Bemd. Lees zijn verhaal nu hieronder! Benieuwd naar alle twintig verhalen die de shorlist haalden van de ILFU-schrijfwedstrijd en CJP’s Grote Schrijfwedstrijd? Bestel de verhalenbundel Niemand anders nu voor slechts €8,- (incl verzendkosten).

 

Verder van huis

Tine kuste haar begroeting in drieën: ‘Wat leuk – om je – te zien.’
Ze was verbaasd. Hij was er anders nooit, op verjaardagen.
‘Frits is ontslagen,’ zei moeder. Ze keek Tine bijna ontredderd aan. Daarna schudde ze haar hoofd. Zeg er maar niks over, betekende dat.
‘Ontslagen?’ Tines gezichtsspieren zochten zenuwachtig naar de juiste stand.
‘Ik ben toe aan een nieuwe uitdaging,’ zei Frits. Waarom klonken die woorden anders als zijn zwager ze uitsprak? Hoe vaak was Paul niet de laan uit gestuurd? Alleen noemde hij dat in between jobs, waardoor het overkwam als een prestatie, een welverdiende vakantie. ‘Wat ga je dan doen?’ vroeg Tine luchtig, maar ze keek bezorgd.
‘Hij heeft nog niks anders.’ Alsof hij een ernstige ziekte had waarvoor nog geen therapie bestond. Tine glimlachte gemaakt. ‘Misschien wel goed, even tijd voor jezelf.’
Tijd voor jezelf, dat leek eerder een vloek dan een zegen. Frits wilde geen tijd voor zichzelf, hij wilde naar zijn werk. Maar het hoofdkantoor had een verandermanager gestuurd, een vrouw die godbetert Dieudonnée heette. ‘Je moet het niet persoonlijk opvatten,’ had zij gezegd. ‘Het is gewoon tijd voor een frisse wind,’ alsof Frits’ aanwezigheid het filiaal in een verstikkende walm had gehuld. Natuurlijk begreep ze dat hij van slag was, of kwaad. Dat waren volstrekt normale reacties. Maar ze kon hem verzekeren dat de andere mensen die ze had moeten ontslaan er stuk voor stuk op vooruit waren gegaan. Sommigen was ze later tegengekomen en hadden haar zelfs bedánkt. Ze hadden gezegd dat het ontslag het beste was wat ze was overkomen, achteraf beschouwd. Ze wist zeker dat Frits er over een tijdje ook zo over zou denken. Financieel hoefde hij zich geen zorgen te maken: hij zou nog een half jaar doorbetaald worden. En met zijn ervaring zou hij zo iets anders vinden.
Na de koffie trok vader een fles wijn open, het was tenslotte feest. Frits bedankte. Hij wist dat hij uit moest kijken. Hij had genoeg televisiereportages gezien om te beseffen dat hij nu extra kwetsbaar was, eenvoudig kon afglijden naar een mensonterend bestaan. Hij herinnerde zich een documentaire over een wiskundeleraar op een middelbare school. Te hoge werkdruk en relatieproblemen werden met steeds meer alcohol weggespoeld. Het ging van kwaad tot erger: de man verwaarloosde zichzelf en zijn baan, werd ontslagen, ging scheiden en verloor al zijn bezittingen. Binnen anderhalf jaar zakte hij af van een gerespecteerd eerstegraads docent naar een zwerver die met pisvlekken in zijn broek bij de ingang van de supermarkt om een euro stond te bedelen. Toen Frits die documentaire zag, dacht hij: als je het zover laat komen heb je er waarschijnlijk om gevraagd. Nu was hij daar niet meer zo zeker van.
Hij vertrok toen moeder de pan met soep op het fornuis tilde.
‘Waarom blijf je nu niet eten?’ vroeg ze. ‘Het is je lievelings, champignon-crèmesoep.’ Wat ze bedoelde was: waarom laat je een gratis maaltijd aan je neus voorbij gaan? Maar ze begreep het wel, al die vrolijke mensen. In het halletje duwde ze een Tupperware bakje met soep in zijn handen. ‘Net als vroeger,’ zei ze, ‘toen je nog op kamers zat.’

Frits was lopend en met de trein, want zijn auto was van de zaak. Hij had moeder om een tasje moeten vragen, hij liep voor schut met die soep. In het begin voelde het bakje nog koel aan – de soep kwam direct uit de koelkast, met eilandjes van gestold vet – maar het was zeker vijfentwintig graden en nu glipte het regelmatig bijna uit zijn bezwete vingers. Was het idee, of stond het deksel boller dan daarstraks? Zo meteen explodeerde dat ding nog. Voorzichtig wrikte hij een hoekpunt van het deksel omhoog. Hij verwachtte een zucht van verlichting, maar in plaats daarvan werd hij besprongen door een lauwe golf en zogen champignonstukjes zich als uitgehongerde bloedzuigers vast aan zijn overhemd.
‘Gotver!’
Frits kwakte het bakje nijdig op de stoep. Het deksel schoot los, soep spatte op zijn schoenen en tegen zijn broekspijpen. Hij vloekte opnieuw en hij moest zich beheersen om het bakje niet te vermorzelen. Moeder wilde het natuurlijk terug hebben, het waren dure bakjes die levenslang meegingen. Hij mikte het restant van de soep in het plantsoen, ramde het deksel weer op zijn plek. Zijn handen glommen van het vet.

In de trein zette hij het bakje op het plankje onder het raam, zo ver mogelijk van hem vandaan. Er ging een vrouw tegenover hem zitten. Waarom juist daar? Er waren volop andere plekken vrij.
‘Zit u ook zo graag in zo’n zitje van vier?’ vroeg ze meteen glimlach. ‘Veel ruimer, of lijkt dat maar zo?’
Het lachen verging haar snel, ze zat dichter bij het bakje dan Frits. ‘Getverderrie, wat heb je toch rare mensen, om dat zo in de trein achter te laten.’
Frits knikte en hield zijn gekruiste armen krampachtig voor de geelbruine vlekken op zijn overhemd. De vrouw keek een tijdje naar het plastic bakje, trok toen een tissue uit haar handtas, drapeerde die over het bakje en liet ze samen in het grijze vuilnisbakje vallen. ‘Opgeruimd staat netjes.’
Bij de eerstvolgende halte stond ze op. Voor ze wegliep zei ze nog een keer ‘getverderrie’ en wierp ze Frits een afkeurende blik toe.
Zodra ze uit beeld was graaide Frits het plastic bakje uit het vuilnisbakje. Er kleefde bruine smurrie aan van god mag weten wat. Hij nam het mee naar het toilet. Waarom had hij daar niet eerder aan gedacht? Met wat zeeppoeder kreeg hij het vast goed schoon, maar eerst
moesten die vlekken uit zijn overhemd. Hij voelde zich vies, alles stonk. Hij poetste er met een papieren handdoekje overheen, maar dat maakte het alleen maar erger. Er werd op de deur geklopt. Niet dwingend, geen hoge nood. Loop maar naar het volgende toilet, dacht
Frits. Hij hoestte luidruchtig en wachtte. De tussendeur siste. Goed zo, wegwezen. Hij nam een besluit, knoopte zijn shirt los en propte het in het wasbakje. Hij drukte op de zeepdispenser tot er niets meer uitkwam en liet het water op de opbollende stof roffelen. Het hokje vulde zich met een bedwelmende geur die hem aan vroeger deed denken, aan zijn moeder op de camping, met hun onderbroeken in een teiltje met sop, hetzelfde teiltje
waarin ze de geschilde aardappelen liet plonzen en na het eten de afwas deed. Frits kneedde en schrobde tot zijn hoofd rood was van inspanning, daarna wrong hij zo hard hij kon en sloeg het shirt weer in model. ‘Kijk nou, fantastisch schoon,’ zei hij met gemaakte reclamestem tegen de bekraste spiegel. Het was niet erg dat het shirt nog kletsnat was, met die warmte was dat juist wel lekker. Bovendien was het maar een klein stukje lopen, van het station naar huis.
Op het moment dat hij het plastic bakje wilde gaan schoonmaken, werd opnieuw op de deur geklopt, minder vrijblijvend nu. Frits hoestte en wachtte, het gesis bleef achterwege. Hij probeerde haastig zijn shirt aan te trekken, maar de mouwen waren ontoegankelijk verkleefd. Gemorrel, de toiletdeur zwaaide open.
Een man met een felgeel jack, gemillimeterd hoofd en brede heupen vanwege allerlei handige tasjes keek hem wantrouwend aan. Veiligheid & Service, las Frits op een epaulet. Achter zijn rug stond een vrouw met een roodharige kleuter in een tuinbroek.
‘Wat zijn we hier aan het doen?’
‘Niks, ik wilde me even opfrissen.’
‘Opfrissen.’ De man keek misprijzend naar Frits’ rode gezicht, zijn bleke borst, het klamme overhemd in zijn ene en het plastic bakje in zijn andere hand.
‘Dit is een toilet, geen washok.’ ‘Ik had met mijn koffie geknoeid.’ ‘Mama, ik moet plassen,’ zei het kind. ‘Koffie.’ ‘Ik heb echt niets gedronken, geen alcohol. Ik weet dat ik nu niet moet drinken, in mijn situatie, bedoel ik.’ Dat over zijn situatie, dat had hij niet moeten zeggen,
de man zou het verkeerd interpreteren, maar het flapte eruit.
‘En dat?’ De man knikte naar het bakje. ‘Champignon-crèmesoep.’ Frits keek beschaamd naar het kind dat ongedurig aan de arm van zijn moeder trok. De man liet zijn hand geroutineerd op zijn portofoon zakken en draaide zijn hoofd naar het microfoontje op zijn schouder: ‘HC, we hebben een E33.’ De portofoon beantwoordde de melding met drie bliepjes.
De man knikte naar de toiletpot. ‘Gaat u daar maar even zitten.’ Zitten? Waarom? ‘Ik moet er zo uit,’ zei Frits. ‘Werkt u nou maar gewoon mee, anders zijn we nog verder van huis.’
De trein kwam tot stilstand. Het balkon stroomde vol nieuwsgierige ogen, iemand maakte een foto met zijn telefoon. Toen de treindeuren bonkend en sissend opengingen, zette Frits een stap naar voren, maar de man in het geel maakte zich nog breder, blokkeerde de uitgang van het toilet.
‘Achteruit, vriend.’
Het kind wrong zich op dat moment los, schoot tussen de benen van de man door naar binnen en duwde de toiletdeur met een dreun in het slot. De vrouw begon hysterisch te gillen. De man schreeuwde steeds andere codes. Alleen Frits deed niets.

Share